De technologie en kunst van tegelbakken in de 18e eeuw, vooral rond 1700, vormen een essentieel deel van de Nederlandse bouwgeschiedenis. Tijdens deze periode bloeiden tegelfabrieken in steden zoals Delft, Rotterdam en Alkmaar, waar men niet alleen technische innovaties ontwikkelde, maar ook artistieke en functionele tegels produceerde die tot op de dag van vandaag in collecties en historische woningen te vinden zijn. In dit artikel zullen we de technische en artistieke aspecten van oud tegeloven uit de 18e eeuw bespreken, op basis van archeologische vondsten, historische documenten en museumvoorbeelden.
Inleiding
In het kader van archeologische vondsten en archieven uit steden als Alkmaar en Rotterdam, blijkt dat het tegeloven van de 18e eeuw een belangrijke rol speelde in de productie van zowel functionele als decoratieve tegels. De meeste tegels werden op twee manieren gebakken: eerst in een zogenaamde "biscuit" fase, waarbij de ruwe tegel ongeveer één keer in de oven gegaan werd, en daarna in een tweede fase met glazuur en schildering. Deze techniek zorgde voor tegels die zowel duurzaam als visueel indrukwekkend waren. De archeologische vondsten uit Alkmaar, bijvoorbeeld, tonen een rijke collectie van half afgewerkte en misbakkels, die ons inzicht geven in de productieprocessen van die tijd.
Deze vondsten, gecombineerd met historische documenten en museumvoorbeelden, tonen duidelijk hoe tegelproductie niet alleen een technische, maar ook een sociale en artistieke activiteit was. Tegelbakkers werkten in gezamenlijke modellen, gebruikten specifieke kleurstoffen zoals kobalt en mangaan, en produceerden zowel blauwe als paarse decoraties. Deze kunstwerken werden vaak gebruikt in huizen, schuren en kerken, waar ze een functie hadden als thermische isolatie én visuele decoratie.
De productiecyclus van een tegel in de 18e eeuw
1. Het "biscuit" stadium
Het eerste stadium in het tegelproductieproces was het bakken van de zogenaamde "biscuit", oftewel de ruwe tegel. Deze was vaak een halffabricaat, niet volledig afgewerkt en zonder glazuurlaag. De biscuits werden in een oven geplaatst, waarbij ze grotendeels verhard werden, maar nog steeds poreus bleven. Dit maakte ze niet geschikt voor directe toepassing in interieurs. De biscuits konden echter nog worden beschilderd en opnieuw gebakken. De archeologische vondsten uit de bedsteekelder in Alkmaar tonen duidelijk het gebruik van biscuits zonder glazuur, die waarschijnlijk voor een tweede sintering waren bedoeld.
De dikte van de biscuits gaf een indicatie van de ouderdom. Zo zijn tegels uit de 18e eeuw meestal ongeveer 8 mm dik. Tegels uit eerdere eeuwen, zoals de 17e, waren dikker (tot 21 mm), terwijl tegels uit de 19e eeuw dunner werden. Toch moet men dit niet als absolute maatregel beschouwen, aangezien bepaalde toepassingen, zoals haarden, ook dikkere tegels vereisten.
2. Glazuur en schildering
Na de eerste bakbeurt kreeg de tegel een glazuurlaag, meestal van tin of ander mineraal, en daarna werd de tegel beschilderd. De schildering gebeurde vaak met blauwe of paarse verf. Kobalt werd gebruikt voor het blauw, en mangaan voor het donkerpaars. In sommige gevallen werd een paarse contourlijn gebruikt die vervolgens met blauw werd ingekleurd, een techniek die "paarse trek" werd genoemd. Deze techniek gaf de tegels een extra dimensionale uitstraling.
De schilderingen die op de tegels verschenen, varieerden van landschappen en pastorale scènes tot mythologische of religieuze beelden. De archeologische vondsten tonen onder andere herders, bloemenvazen, en zelfs een herderin met ontblote borsten, een beeld dat vandaag de dag nog steeds opvalt door zijn vrijmoedigheid.
3. Tweede bakbeurt
Na de schildering werd de tegel opnieuw in de oven geplaatst, deze keer op een hogere temperatuur. Dit zorgde voor de definitieve harding van het glazuur en de verf. Deze tweede bakbeurt was cruciaal voor de duurzaamheid van de tegel. Tegels die slecht werden gebakken, of waarbij het glazuur niet goed aansloot, vielen vaak uit als misbaksels. De vondsten uit Alkmaar tonen duidelijk een groot aantal misbaksels, die niet volledig afgewerkt waren.
Tegeloven en hun technische aspecten
Tijdens de 18e eeuw werden tegeloven doorgaans eenmaal per week gestookt. Na het bakken moest de oven afkoelen en daarna volledig geleegd worden. Dit betekende dat tegelproductie een regelmatig, maar tijd- en arbeidsintensief proces was. Tegelbakkers werkten in gezamenlijke modellen, waarbij meestal één oven centraal stond. In grotere fabrieken, zoals De Grieksche A in Delft, werden twee ovens gebruikt, terwijl de meeste fabrieken slechts één oven hadden.
De Grieksche A was een van de grotere tegelfabrieken in Delft. De productie daar vond plaats in verschillende panden, waaronder een droogzolder, een atelier en een woning voor de meester. Het gebruik van deze ovens vormde een essentieel onderdeel van het productieproces. De ovens zelf, met hun hoge schoorstenen, waren industrieel erfgoed en worden vandaag de dag nog vaak herkenbaar in het landschap.
Tegelproductie en decoratie in de 18e eeuw
Tegelproductie in de 18e eeuw was niet alleen technisch georiënteerd, maar ook artistiek. Tegelbakkers gebruikten schetsen en patronen om de decoraties op de tegels vast te leggen. In Rotterdam zijn talloze voorbeelden van dergelijke patronen bewaard gebleven in het stadsarchief. Deze patronen zijn gemaakt met penseel en pen, en soms zelfs doorgeprikt om als stempels of doekjes gebruikt te worden in het schilderproces.
Een van de bekendste vormen van decoratieve tegels uit deze periode zijn de herderstegels, vaak in paarse of blauwe kleuren. Deze tegels toonden scènes uit het landleven, zoals herders met schapen of pastoraal tafereel. Jan Pluis, een expert op het gebied van Nederlandse tegels, dateert deze herderstegels uit het eerste kwart van de 18e eeuw, met een specifieke productie in Utrecht.
Naast deze herderstegels werden ook religieuze scènes, zoals de verhalen uit de Bijbel, op tegels geschilderd. In het Rijksmuseum Amsterdam zijn voorbeelden te zien van dergelijke religieuze tegels, zoals een voorstelling waarin David het hoofd van Goliat afsnijdt. Deze scènes waren niet alleen decoratief, maar ook educatief, aangezien ze visuele vertolkingen van bekende verhalen voorhanden hadden.
Tegels in huizen en schuren
De tegels uit de 18e eeuw werden vooral gebruikt in huizen en schuren, waar ze een functie hadden als thermische isolatie en decoratieve elementen. In huizen werden ze vaak gebruikt in haarden, waarbij ze ook een functionele rol speelden als brandwerende vloerbedekking. In schuren en stallen werden ze gebruikt om de vloeren betegeld te maken, wat de hygiëne en de thermische isolatie verbeterde.
De archeologische vondsten uit Alkmaar tonen dat tegels in huizen vaak op twee niveaus werden gebruikt, inclusief de eerste verdieping. Tegels werden niet alleen als vloerbedekking gebruikt, maar ook in wanden, schouwen en haarden. In sommige gevallen werden tegels gebruikt als een soort "verwarmingspanel", waarbij de warmte van de haard via de tegels werd geleid.
Tegelproductie en sociale aspecten
Tegelproductie in de 18e eeuw was niet alleen een technische en artistieke activiteit, maar ook een sociale. Tegelbakkers werkten vaak in gezamenlijke modellen, waarbij de productie en het bakken van de tegels gedeeld werden. In Alkmaar is bijvoorbeeld bekend dat Jacob Boot een tegelbakker was die tot 1762 leefde en kinderen achterliet. Zijn werkplek werd geërfd, wat aantoont dat tegelbakkers hun beroep vaak van generatie op generatie overdeden.
De archeologische vondsten tonen ook dat tegelbakkers gebruikmaakten van scherven en half afgewerkte tegels om hun werk te documenteren. Zo is een tegel gevonden waarop de tegelbakker bestellingen noteerde, en andere tegels zijn gevonden met kindertekeningen. Deze fragmenten tonen de menselijke aspecten van het tegelbakproces, en laten zien dat tegelbakkers niet alleen technisch, maar ook creatief en sociaal betrokken waren.
Tegelbakkers en hun modellen
Tegelbakkers gebruikten vaak modellen om hun schilderingen vast te leggen. Deze modellen werden opgeschreven of getekend en werden vervolgens gebruikt als sjabloon bij het schilderen van tegels. In Rotterdam zijn dergelijke modellen bewaard gebleven in het stadsarchief. Deze modellen tonen de rijke variatie van decoratieve elementen die op tegels verschenen, zoals bloemmotieven, landschappen en pastoraal tafereel.
Een van de bekendste verzamelingen van dergelijke modellen is de collectie van Frederik Jacobus Kleijn, die in 1876 een voorbeeldboek en losse bladen aan het Rotterdamer archief gaf. Deze modellen zijn belangrijk voor het begrijpen van de decoratieve stijlen van de tijd en geven inzicht in de artistieke processen van tegelbakkers.
Tegelbakkers en het gebruik van kleur
De kleur van tegels uit de 18e eeuw is een belangrijk kenmerk van de productie. De meest gebruikte kleuren zijn blauw en paars, die verkregen werden door kobalt en mangaan te gebruiken. De blauwe kleur werd vaak gebruikt voor landschappen en pastorale scènes, terwijl paarse kleuren vaak gebruikt werden voor contouren en accenten. De techniek van "paarse trek" was een specifieke manier om de afbeeldingen extra uit te drukken.
De archeologische vondsten uit Alkmaar tonen dat tegels in blauw en paarse tinten werden gebruikt in huizen en schuren. Deze tegels werden vaak in combinatie met andere materialen gebruikt, zoals faience-ovenen en marmer. De combinatie van tegels met andere materialen gaf het interieur een rijke en variërende esthetiek.
Conclusie
Tegeloven uit de 18e eeuw, vooral rond 1700, speelden een essentiële rol in de productie van tegels die zowel functioneel als artistiek waren. De productieprocessen, die gingen van biscuits tot geglazuurde tegels, tonen hoe tegelbakkers technisch en artistiek betrokken waren in het ontwikkelen van duurzame en visueel indrukwekkende producten. De archeologische vondsten en historische documenten tonen dat tegelbakkers niet alleen technische vaardigheden hadden, maar ook sociale en artistieke betrokkenheid. Deze tegels, die in huizen, schuren en kerken werden gebruikt, waren een essentieel onderdeel van de Nederlandse bouwgeschiedenis.
